OGR Updates - Omgevingsrecht

Annotaties OGR 2012-0036

Valérie van 't Lam | 24-05-2012
Val_rie_van__t_lam_80x110

1. De hiervoor opgenomen uitspraak is geselecteerd omdat daar een figuur aan de orde is die sinds 1 januari 2011 in de Wabo en het Besluit omgevingsrecht (Bor) is opgenomen, te weten: de omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM). De OBM is een eenvoudige vergunning zonder voorschriften. De hiervoor opgenomen uitspraak is – voor zover mij bekend – vooralsnog de enige uitspraak waarin de OBM aan de orde is.

2. Voordat ik op de uitspraak zelf in ga, zet ik kort uiteen wat een OBM is. De OBM is een figuur die naast de omgevingsvergunning voor milieu in de Wabo (en het Bor) is opgenomen. De OBM is nodig voor bepaalde activiteiten die voorheen vergunningplichtig waren maar die voortaan onder het Activiteitenbesluit vallen. Voor die activiteiten is nog wel een ‘toets vooraf’ nodig, bijvoorbeeld voor een activiteit die onder de mer-richtlijn valt en er om die reden een vergunning nodig is (Stb. 2010, 781, p. 81). De OBM is die ‘vergunning’, maar zoals hierna zal blijken is het een ‘lichtere vergunning’ dan de omgevingsvergunning voor milieu.

De grondslag in de Wabo voor de OBM is artikel 2.1, lid 1, onder i Wabo. Uit deze bepaling volgt dat het verboden is een project uit te voeren ‘voor zover dat bestaat uit het verrichten van een andere activiteit die bij amvb is aangewezen’. Die aanwijzing heeft plaatsgevonden in artikel 2.2a Bor. Een OBM is aldus nodig voor (onder meer) MER-beoordelingsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 2.2a Bor, zoals bepaalde windturbineparken, bepaalde waterzuiveringsinstallaties en bepaalde handelingen met afvalstoffen. Als een aanvraag om een vergunning wordt ingediend, dan is het aan het bevoegd gezag om na te gaan welk van beide vergunningen geldt: een omgevingsvergunning voor milieu (artikel 2.1 lid 1 onder e Wabo) óf een OBM (artikel 2.1 lid 1 onder i Wabo) (Stb. 2010, 781, p. 33-34).

Aan de OBM kunnen geen voorschriften worden verbonden (artikel 5.13a Bor). Voor de OBM geldt een beperkt aantal weigeringsgronden, zoals de weigeringsgrond dat een MER moet worden gemaakt, dat niet aan bepaalde geluidsgrenswaarden wordt voldaan en ‘in het belang van het beheer van afvalstoffen’ (artikel 5.13b Bor). De OBM wordt voorbereid met de reguliere procedure in de Awb. De OBM is aldus een ‘lichte’(re) vergunning dan de omgevingsvergunning voor milieu. Na verlening van een OBM zijn de algemene regels van het Activiteitenbesluit van toepassing (Stb. 2010, 749, p. 17). Als de OBM wordt geweigerd, dan geldt dat er een omgevingsvergunning voor milieu nodig is (voor de activiteiten waarvoor een MER moet worden gemaakt) óf de activiteit kan niet worden ondernomen (voor de activiteiten waar het bevoegd gezag een lokale toets moet uitvoeren, zoals een geluidstoets, Stb. 2010, 781, p. 34). Als de OBM niet van toepassing is, dan wordt de activiteit alleen gereguleerd door het Activiteitenbesluit zonder dat er eerst een toetsing door het bevoegd gezag plaatsvindt middels een OBM.

3. In de hiervoor opgenomen zaak was een milieuvergunning (nog op grond van artikel 8.1 Wm) verleend voor een windturbinepark. Het bevoegd gezag voerde terecht aan dat appellanten geen belang meer hadden bij de beoordeling van hun beroepen vanwege een wijziging in het Bor. Het bevoegd gezag doelde op de hiervoor genoemde regeling van de OBM. Na een eventuele vernietiging van de milieuvergunning voor het windturbinepark, zou het bevoegd gezag opnieuw op de aanvraag moeten beslissen. Er zou dan een OBM nodig zijn (artikel 2.1, lid 1, onder i Wabo) en geen omgevingsvergunning voor milieu (artikel 2.1, lid 1, onder e Wabo). In artikel 2.2a, onder a Bor zijn windturbineparken die mer-beoordelingsplichtig zijn (op grond van 22.2 D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage) aangewezen als activiteit waarvoor een vergunning nodig is als bedoeld in artikel 2.1, lid 1, onder i Wabo (OBM). Zoals gezegd is bij het van toepassing zijn van een OBM geen omgevingsvergunning voor het milieu nodig. De OBM kan alleen worden geweigerd als een MER moet worden opgesteld (artikel 5.13a Bor). In casu hoefde er – zo bleek al uit de milieuvergunning – volgens het bevoegd gezag geen MER te worden gemaakt (zie r.o. 2.8.1.), zodat nu al duidelijk was dat de OBM niet zou kunnen worden geweigerd. Een redelijke uitleg van het overgangsrecht (zie r.o. 2.7. en 2.8.3) brengt volgens de Afdeling mee dat een eventuele vernietiging van de milieuvergunning zou leiden tot het opnieuw verlenen van de vergunning. Met de beroepen kon het beoogde doel zodoende niet worden bereikt. Daarom bestond er geen belang bij een beoordeling en worden appellanten alsnog niet-ontvankelijk verklaard in de beroepen.