OGR Updates - Omgevingsrecht

Annotaties OGR 2015-0097

Tonny Nijmeijer | 23-08-2015

1. Een bijbehorend bouwwerk bestaat enkel in combinatie met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw (zie o.a. ABRvS 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2907; hoofdgebouw en bijbehorend bouwwerk kunnen overigens gelijktijdig of ‘nagenoeg gelijktijdig’ worden gebouwd: zie ABRvS 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2198, met name r.o. 5.1). Het hoofdgebouw hoeft geen woning of woongebouw te zijn; het kan ook een bedrijfspand zijn.

2. Die twee mogelijke varianten van een hoofdgebouw komen in deze uitspraak goed naar voren. Dat geldt ook voor het vereiste van de functionele verbondenheid. Functionele verbondenheid met het hoofdgebouw is een kenmerk van ieder bijbehorend bouwwerk (wordt gebouwd buiten de 4 meterzone van het hoofdgebouw, dan geldt bovendien als eis dat sprake is van functionele ondergeschiktheid; zie art. 2 lid 3 onderdeel b onder 2 van bijlage II Bor). Om de functionele verbondenheid draait het in de onderhavige zaak en bij de beoordeling van dat aspect komt de hoedanigheid van het hoofdgebouw duidelijk naar voren. Voor zover het bedrijfspand als hoofdgebouw wordt aangemerkt, is van functionele verbondenheid geen sprake omdat tomeloze creativiteit is vereist om paardenhouderij en management van automatisering in de luchtvaart functioneel met elkaar verbonden te achten. Is het hoofdgebouw een bedrijfspand, dan wordt de functionele verbondenheid door de Afdeling dus beoordeeld op basis van de aard van de bedrijfsactiviteiten in het hoofdgebouw.

3. Heeft het hoofdgebouw een woonfunctie, dan is bepalend of het bijbehorende bouwwerk functioneel verbonden is met ‘wonen’. Dat impliceert echter niet dat bouwwerken waarin niet wordt gewoond, geen bijbehorend bouwwerk kunnen zijn. Allerlei activiteiten die hobbymatig worden verricht, kunnen als functioneel verbonden met de woonfunctie worden beschouwd (in ABRvS 25 mei 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT6180 werd een functionele verbondenheid tussen paardenstal en woning aangenomen, het ging in die zaak om de stalling van twee paarden). Bedrijfsmatig verrichte activiteiten vallen daarbuiten. Op dat punt legt de Afdeling een toets aan die doet denken aan de toets die plaatsvindt bij de beoordeling of een activiteit kwalificeert als een inrichting in de zin van de Wabo en de Wet milieubeheer (WMB). In dat verband geldt dat activiteiten die worden verricht in een omvang alsof zij bedrijfsmatig zijn, onder omstandigheden als inrichting worden beschouwd (zie art. 1.1 van de WMB). Dat de activiteit geen winstoogmerk heeft en slechts hobbymatig wordt verricht, staat daaraan niet in de weg. Zo werd bijvoorbeeld in ABRvS 23 juli 2008, ECLI:NL:RVS:2008:BD8350, het houden van 24 honden onder meer gelet op het aanzienlijk aantal gehouden dieren, de wijze waarop de honden gehuisvest zijn en het feit dat er een zekere continuïteit bestaat in de verrichte activiteiten, geacht een bedrijvigheid te zijn in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was. De ‘bedrijfsmatigheidstoets’ in de context van het begrip bijbehorend bouwwerk is een iets andere omdat daarbij ook de planologische c.q. ruimtelijke uitstraling van het bouwplan van belang is.

4. In de onderhavige zaak is gelet op het aantal dieren en het samenstel van omstandigheden waaronder de paarden worden gehouden, volgens de Afdeling sprake van een activiteit in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is (in ABRvS 1 oktober 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AL7558 werd het houden van vijf paarden als hobbymatig aangemerkt). Met dat oordeel is een functionele verbondenheid tussen de paardenstal en de woonfunctie van het hoofdgebouw uitgesloten. Uitgesloten is daarmee ook dat B&W in dit geval bevoegd zijn om toepassing te geven aan artikel 4 lid 1 van bijlage II Bor. Dat laat onverlet dat door hen toepassing kan worden gegeven aan artikel 2.12 lid 1 onderdeel a onder 3 van de Wabo.